Iedereen is gelijk, maar niet gelijkwaardig. Of ik niet het omgekeerde bedoel? Nee, sorry.
Mannen en vrouwen zijn aan elkaar gelijk, blank en zwart, moslims en christenen, homo’s en hetero’s, noem maar op. Ik maak geen verschil, net als jij wellicht. Maar mensen zijn niet gelijkwaardig aan elkaar. De een heeft nu eenmaal meer toegevoegde waarde dan de ander. Dat verschil maak ik wel. Ook in mijn bedrijf. Jij ook?
Ik vind ons vaak maar softies als het om competentiemanagement gaat. Wat kaartjes bij een functie leggen, meer is het niet. Ik ben adviseur. Eens kijken wat dat oplevert. Inlevingsvermogen, doorzetter, proactief, klantgericht, flexibel, en o ja, een commerciële instelling is ook wel handig. Maar als ik hier nu Accountmanager had ingevuld, had er dan niet precies hetzelfde gestaan?
Kaartjes trekken is blauw: de functie staat centraal. Kaartjes trekkende competentiemanagers willen weten wat ze erbij moeten trainen wat de functionaris te kort komt en eraf moeten beoordelen wat de medewerker in kwestie teveel meebrengt. In blauw personeelsmanagement hebben we ons maar aan te passen, aan wat er op de tekentafel is uitgedacht.
Zo kun je toch niet leidinggeven, schei uit!
Competentiemanagement gaat voorbij aan waar het eigenlijk om gaat: het managen van de toegevoegde waarde. De waarde die een medewerker toevoegt is gelijk aan de moeilijkheidsgraad van de problemen die hij in de ogen van klanten, collega’s en leidinggevenden kan oplossen. Niet omdat er Adviseur of Accountmanager op zijn kaartje staat, maar omdat hij Piet heet, Mohammed of Marie.
Waardeer de mens, niet de functie, is mijn devies. Een functie heeft geen toegevoegde waarde, een medewerker heeft dat wel. De ene adviseur is de andere immers niet!
De toegevoegde waarde is afhankelijk van de samenhang die een personeelslid ziet tussen de oorzaak en de gevolgen van een probleem. Sommige mensen zien totaal geen samenhang. In een organisatie kun je daar weinig mee. Ik ken – straatarme - mensen die het verband niet zien tussen boodschappen doen en telefoneren. Die niet begrijpen dat beide uit dezelfde portemonnee worden betaald. “Ik moet toch eten en ik moet toch ook kunnen telefoneren”, is hun argument.
Als we deze mensen in onze organisatie willen laten functioneren, zullen we hen hele nauwgezette instructies moeten geven, want hun probleemoplossend vermogen is buitengewoon beperkt. We kunnen ook zeggen: hun toegevoegde waarde is nagenoeg nihil. Dat is hard, maar het schept wel duidelijkheid.
Zeg de gemiddelde metselaar niet dat het muurtje een halve meter naar achteren moet, want op zijn improvisatievermogen wil hij niet worden beoordeeld. Wie wat anders wil gaat maar naar de uitvoerder toe. Want dit soort praktische problemen horen thuis bij medewerkers die een inschatting kunnen maken van wat wel en niet mogelijk is, die hun aanpak kunnen wijzigen als dat nodig is en (misschien nog het allerbelangrijkste) je kunnen uitleggen wat echt niet kan. Dus als de uitvoerder kwaad wordt en niet verder komt dan te zeggen dat het zo op tekening staat, is hij voor zijn functie niet geschikt. Zo’n iemand had beter metselaar kunnen blijven. Maar wie gaat hem dat vertellen?
Mijn punt is dit: gedrag zit aan de buitenkant, talent van binnen. Van dat laatste wil ik als leidinggevende ook wat vinden, anders begrijp ik het doen en laten van mijn medewerkers niet.
Was ik de manager van de uitvoerder geweest, dan had zijn competentieprofiel mij ongetwijfeld vertelt dat zaken als flexibiliteit, anticiperen en communiceren belangrijke gedragseigenschappen voor een uitvoerder zijn. Maar welk vermogen – talent - er nodig is om die competenties te ontwikkelen, daarover had dat profiel niets gezegd. Het is als een dokter die op symptomen reageert, maar niet weet wat de ziekte is.
Zo blijven we met z’n allen er in geloven, dat met een stevige beoordeling, training of coachingsgesprek de schade wel te repareren is. Omdat we niet weten waar de begrenzing zit, houden we aan de illusie vast dat alles ontwikkelbaar is.
Op televisie zie ik een jonge dertiger die naar zijn loopbaanverwachtingen wordt gevraagd. In welke functie hij zich het komende jaar ziet? “Ik denk dat ik dan leidinggevende ben. De kinderen worden ouder en ook een nieuw huis zou zo gek nog niet zijn….”.
Ik stel voor een verschil te maken tussen competentiemanagement en talentmanagement. Het eerste is gericht op zichtbaar gedrag. Leuk, maar weinig omvattend. Goed voor softies. Slecht voor managers.
Het tweede doet onderzoek naar het vermogen om competenties te ontwikkelen en koppelt daar het individueel loopbaanbeleid aan vast. En daar gaan we dan keihard en heel consequent op sturen. Wedden dat iedereen daar gelukkiger van wordt.
Goed voorstel?
Rolf Baarda is directeur van Bureau Baarda, een middelgroot adviesbureau op het gebied van beloningsmanagement
www.bureaubaarda.nl
www.twitter.com/rolfvanbb
Je moet lid zijn van HRbase - grootste HR netwerk van Nederland om reacties te kunnen toevoegen!
Word lid van HRbase - grootste HR netwerk van Nederland