Ontbindingsvergoeding en WW
Op grond van de aanbeveling 3.5 bij de kantonrechterformules, dient de beëindigingvergoeding
niet hoger te zijn dan de verwachte inkomstenderving tot aan de redelijkerwijs te verwachten pensioneringsdatum van de werknemer. Dit betekent dat een 63-jarige werknemer met vijfentwintig dienstjaren geen vergoeding krijg op grond van de vijfentwintig dienstjaren, maar dat hij een vergoeding zal ontvangen ter grootte van het inkomen dat hij bij voortduren van de arbeidsovereenkomst tot zijn pensioendatum zou hebben gekregen.
Uit de aanbevelingen valt niet op te maken wat er onder inkomstenderving valt. Dit wordt dan ook verschillend uitgelegd door de kantonrechters. Indien een WW- en een IOW-uitkering (Inkomensvoorziening Oudere Werklozen) meegenomen kan worden bij de berekening van de inkomstenderving, zal de ontbindingsvergoeding lager uit vallen.
Het Gerechtshof Den Bosch heeft onlangs over deze kwestie beslist. Het betrof hier een werknemer die gebruik had gemaakt van een vertrekstimuleringsregeling opgenomen in het sociaal plan die de werkgever ten behoeve van een reorganisatie had opgesteld. In het sociaal plan stond vermeld dat de werknemer recht had op een uitkering bij vrijwillig vertrek. Bij berekening van deze uitkering werd aansluiting gezocht bij de kantonrechtersformule, waarbij C=1. Voorts was bepaald dat de vergoeding de verwachte inkomensderving tot aan de pensioengerechtigde leeftijd niet zou overstijgen.
De kantonrechter was van mening dat de WW- en de IOW-uitkering niet in mindering mochten worden gebracht van de vergoeding. De werkgever ging hiertegen in hoger beroep.
Volgens het Gerechtshof Den Bosch komt een WW-uitkering in plaats van het salaris, zodat met deze uitkering rekening gehouden mag worden bij de berekening van de vergoeding. Indien met de WW-uitkering geen rekening gehouden zou worden, zou de betrokkene bij elkaar een hoger bedrag ontvangen, dan het laatstverdiende loon. Bij de vaststelling van de mate van inkomstenderving moet dus rekening gehouden worden met de naar redelijke verwachting te verkrijgen sociale zekerheidsuitkeringen.
Bij een vaststellingsovereenkomst wordt meestal aansluiting gezocht bij de kantonrechtersformule. Bij het doen van een voorstel aan een oudere werknemer kan dus rekening gehouden worden met de te ontvangen WW-uitkering en eventueel met de IOW-uitkering.
Dit is de eerste keer dat het Hof zich hierover heeft uitgelaten. De Rechtbanken hadden zich al vaker over deze vraag gebogen, en tegenstrijdige vonnissen gewezen.
Goed dat er nu helderheid over deze materie bestaat.
Je moet lid zijn van HRbase - grootste HR netwerk van Nederland om reacties te kunnen toevoegen!
Word lid van HRbase - grootste HR netwerk van Nederland