Centraal gereguleerd
Functiewaardering mag met recht het predikaat ‘klassiek’ dragen. Het systeem heeft oude wortels, tot in het Scientific Management van het begin van de twintigste eeuw. De definitieve doorbraak kwam in de jaren na de Tweede Wereldoorlog. Nederland maakte een geforceerde wederopbouw door.
Aanvankelijk was daarin zelfs geen plaats voor vrije loononderhandelingen. Lonen werden vastgesteld door een ‘College van Rijksbemiddelaars’; later namen sociale partners hun rol weer op, maar de werkwijze bleef lange tijd technocratisch en centralistisch.
Geleide loonpolitiek
De overheid bleef lang een duchtig woordje meespreken, want een deel van de ruimte werd benut voor het opzetten van de eerste vormen van sociale zekerheid. Het systeem moest voorkomen dat schaarste op deelmarkten (bijvoorbeeld in de woningbouw of in de havens) tot grote loonstijgingen zou leiden die vervolgens kettingreacties in andere sectoren op gang zouden brengen. Er was behoefte aan objectieve en vaste maatstaven, los van (snel fluctuerende) vraag- en aanbodverhoudingen op de arbeidsmarkt.
De eerste welvaartsgroei maakte een einde aan de ‘geleide loonpolitiek’. Maar de functiewaarderingssystemen die eruit voortkwamen, leven voort. Nog steeds wordt het loon van 70 tot 80 procent van de Nederlandse werknemers gereguleerd door een of andere vorm van functiewaardering.
Legitimatie
Dat komt omdat deze methode eigenschappen heeft die bedrijven en vakbonden nog steeds goed van pas komen. Beloningsverschillen worden erdoor gelegitimeerd. En het is waar: functiewaardering ís tot op grote hoogte een rem op willekeur.
Minutieuze functiebeschrijvingen maken het mogelijk om elke concrete positie in te delen, met behulp van een van tevoren overeengekomen systeem dat voor iedereen geldt. Deze trekken maken dat het systeem overtuigingskracht bezit in dat deel van de organisatie dat soms wel eens met ‘de fabriek’ wordt aangeduid.
In de tijd waarin dit systeem zijn eerste bloeiperiode beleefde, was Nederland ook één grote ‘fabriek’. Massaliteit en standaardisatie, ‘meten is weten’, het waren belangrijke beginselen bij de wederopbouw van de Nederlandse industrie. De oervorm van de naoorlogse functiewaardering heette niet voor niets de ‘Genormaliseerde Methode’.
Hoe lang nog?
Maar Nederland is veranderd. Wat destijds misschien prima werkte, werkt mijns inziens tegenwoordig echt niet meer. De klant centraal betekent dat medewerkers de vrijheid moeten hebben (en nemen) om zelf regelend op te treden. Zonder dat daarbij hun handelen wordt beperkt door enge functiebeschrijvingen.
Het gaat erom, om samen te ontdekken wat de level of comfort is, de rol waarin een medewerker het prettig vindt om binnen te opereren. Waarin hij zichzelf vertrouwt en vertrouwd wordt door collega’s en klanten. Dan is niet langer de functiebeschrijving de grondslag voor het beloningssysteem, maar het talent, ontwikkelende competenties en zichtbaar gedrag. Kortom: het probleemoplossend vermogen.
Hoe lang nog blijft P&O in deze moderne tijd geloven in verouderde instrumenten?
Rolf Baarda (rolf@bureaubaarda.nl) is directeur van Bureau Baarda, adviseurs voor beloningsmanagement en organisatie-effectiviteit
Je moet lid zijn van HRbase - grootste HR netwerk van Nederland om reacties te kunnen toevoegen!
Word lid van HRbase - grootste HR netwerk van Nederland