Zzp’er of werknemer? Over PostNL en haar subcontractors

Op 18 december 2015 heeft de kantonrechter Noord-Holland in drie zaken van subcontractors tegen PostNL uitspraak gedaan. Twee subcontractors werden geacht gewone werknemers te zijn en de derde was, zo vond de kantonrechter, wel zelfstandig ondernemer. Welke aspecten van de samenwerking waren voor de kantonrechter doorslaggevend en welke lessen kunnen uit deze uitspraken geleerd worden?

Of een relatie moet worden geduid als een arbeidsovereenkomst of een opdrachtovereenkomst is van belang voor de vraag of loon moet worden betaald (ook in geval van ziekte), of ontslagbescherming wordt genoten et cetera. De vraag speelt ook als onduidelijk is of door de “opdrachtgever” premies en loonbelasting moeten worden ingehouden en afgedragen. Dat laatste aspect wordt (tot 1 april 2016) geregeld of afgedekt als de opdrachtnemer beschikt over een VAR WUO of een VAR DGA.

In de zaak waarover de kantonrechter had te oordelen beschikten alle subcontractors over zo’n VAR WUO. Fiscaal hadden partijen de zaak dus geregeld en was sprake van zelfstandig ondernemerschap. Waarom vindt de kantonrechter dan toch dat (in civielrechtelijke zin) in twee van de drie gevallen sprake is van een arbeidsovereenkomst? Alle subcontractors hadden ook een BTW nummer, waren ingeschreven bij de Kamer van Koophandel, publiceerden jaarstukken en waren verzekerd tegen wettelijke aansprakelijkheid. Ook hadden zij eenzelfde type overeenkomst met PostNL getekend. Zij beschikten over een eigen (witte) bus, waren verplicht zich aan zekere instructies te houden, reden bezorgroutes volgens een door PostNL uitgewerkt systeem, hadden werkkleding van Post NL en – belangrijker – werkten eigenlijk alleen voor PostNL, althans zo mag worden aangenomen op basis van de in de uitspraken beschreven tijdsbesteding. Toch werd een van de drie geen werknemer geacht.

Welke verschillen waren er in de drie zaken? In zaak 1 had de subcontractor zijn eigen bedrijf pas een paar weken, voordat hij onder het contract met PostNL zijn handtekening zette, opgericht. In zaak 2 was dat 3 à 4 maanden daarvoor en in zaak 3 was dat 9 maanden voordien. In zaak 1 liet de subcontractor zich in 16% van de gevallen vervangen door een ander, in zaak 2 gebeurde dat 25% van de tijd en in zaak 3 was dat 44%. In zaak 1 had de subcontractor over 2014 een omzet gerealiseerd van € 59.000, in zaak twee was dat € 62.000 en in zaak 3 € 80.000. De kantonrechter vindt dat in de zaken 1 en 2 sprake is van een arbeidsovereenkomst en in zaak 3 niet. Zij noemt dat degene die ze aanmerkt als zelfstandig ondernemer 6 weken had kunnen proefdraaien voordat hij het contract aanging. Daarnaast wordt genoemd dat hij blijkbaar had kunnen onderhandelen over de tarifering (alleen leverden die onderhandelingen niet veel op) en dat hij meer werk verrichtte dan 1 persoon redelijkerwijs aankon. Ook vindt de kantonrechter relevant dat de subcontractor zijn bus eerst had gehuurd voordat hij de (koop)investering deed.

Maar zijn die omstandigheden nu wel zo relevant? De andere subcontractors konden op grond van hun (identieke) contracten met PostNL ook meer werken, zich ook vaker laten vervangen en hadden een gelijke mate van onderhandelingsruimte. Is dan het feit dat zij dat niet deden/daar geen gebruik van maakten, bepalend?

De kantonrechter heeft welbeschouwd haar oordeel gebaseerd op een inschatting van de economische afhankelijkheid van de betrokkenen. Zij gaat uitvoerig in op het feit dat PostNL vergaande instructies gaf. Ook lijkt zij veel belang te hechten aan het feit dat de subcontractors alleen voor PostNL werkten en/of niet de vrijheid hadden om ook voor andere opdrachtgevers te werken, al wijzen de door kantonrechter genoemde feiten niet eenduidig in die richting. Maar dat was in alle drie de zaken het geval, dus wat is nu doorslaggevend?

Terecht zegt de kantonrechter dat elke zaak op de eigen merites moet worden beoordeeld en dat het dus altijd een kwestie van wikken en wegen van alle relevante feiten is. De verschillen in deze zaken zijn echter niet zodanig dat overtuigend is gemotiveerd waarom in twee gevallen wel en in de derde zaak geen sprake was van een arbeidsovereenkomst.

Uit deze uitspraak wordt duidelijk dat de kantonrechter, in navolging van vele rechtsgeleerde auteurs, vindt dat een kleine zelfstandige die feitelijk afhankelijk is van een opdrachtgever, meer op een werknemer dan op een zzp’er lijkt. Met die werkelijkheid moeten opdrachtgevers als PostNL dus leren leven. Vele zzp’ers zullen het overigens met de kantonrechter oneens zijn. Toen PostNL onder druk van de publieke opinie aan haar subcontractors een arbeidsovereenkomst aanbood, heeft van alle zzp’ers slechts 5 à 15% (de uitspraak meldt dat niet duidelijk is welk percentage juist is) dat aanbod aanvaard. Blijkbaar geven veel kleine zelfstandigen wel degelijk de voorkeur aan een opdrachtovereenkomst boven een arbeidsovereenkomst en voelen zij zich dus niet zo afhankelijk…

Heeft u vragen? Neem gerust contact met mij op:

Muriel Middeldorp

www.potjonker.nl
T +31(0)23 - 553 02 30 | F +31(0)23 - 553 02 60 | E middeldorp@potjonker.nl | Postbus 280, 2000 AG HAARLEM

Aantal keer bekeken: 974

Laat een reactie achter

Je moet lid zijn van HRbase - grootste HR netwerk van Nederland om reacties te kunnen toevoegen!

Word lid van HRbase - grootste HR netwerk van Nederland